Related research

Read more about the Design & History research programme.

Bekijk gebouwd erfgoed als een Vermeer

Ingrepen in historische gebouwen worden gewoonlijk voorafgegaan door een cultuurhistorisch onderzoek met waardestelling, maar zonder veel aandacht voor de architectonische kwaliteiten en sociaal-culturele betekenissen. Een weinig effectieve methode, vindt promovendus Charlotte van Emstede. Bekijk een gebouw als een waardevol schilderij, dan sla je drie vliegen in één klap.

Onderzoek en waardestelling van gebouwen gebeurt meestal door een bouw-, architectuur- of cultuurhistoricus. Vooral bij instandhouding van Jonge Bouwkunst en Stedebouw (1850-1940) en Wederopbouw erfgoed (1940-1970) is het moeilijk om die resultaten te vertalen naar een kader voor transformatie. Terwijl juist daar een grote opgave ligt, omdat veel gebouwen uit die periode leegstaan of een nieuwe functie moeten krijgen. Aangezien de waardebepaling vooral objectgericht en kunsthistorisch van aard is, is de grote vraag wat je er als architect eigenlijk aan hebt bij een restauratie of herbestemming.


“Ze doen er veelal niets mee.”


In haar promotieonderzoek 'Waardestelling in de Nederlandse Monumentenzorg 1981-2009' legde Van Emstede die vraag voor aan architecten van een aantal aansprekende erfgoedprojecten die ze analyseerde (Grote Kerk te Veere, kasteel Nederhemert, de Van Nellefabriek en het Justus van Effen complex in Rotterdam, voormalige marinewerf Willemsoord in Den Helder). Dat leverde een verrassend antwoord op. “Ze doen er veelal niets mee. De reactie van de meesten is: hoe helpt een kunsthistorische analyse mij nou om te besluiten of en waar ik een doorbraak in een muur kan maken?” Haar conclusie na vergelijking van de onderzochte projecten: je zou al in het beginstadium een architectonische analyse moeten toevoegen om beter op de praktijk te kunnen aansluiten.

Een waardestelling door een architect verschilt sterk van die van een kunsthistoricus, omdat de architect zich ook richt op bijvoorbeeld materiaalgebruik, ruimtelijke aspecten en architectonische kwaliteiten van een gebouw. En dergelijke elementen zijn bepalend voor de manier waarop historisch en toekomstig gebruik in balans zijn te brengen. Van Emstede pleit ook voor toevoeging van een paragraaf over de sociaal-culturele betekenis van erfgoed. Dat geeft een beeld van de immateriële waarde die een historisch bouwwerk heeft voor gebruikers en andere belanghebbenden. Een dergelijke herdefiniëring van het kader zou een praktische onderlegger kunnen zijn om abstracte, cultuurhistorische waarden te vertalen naar een interventiestrategie, denkt ze.

“Het komt er eigenlijk op neer dat je de waarde van erfgoed bepaalt op dezelfde manier zoals in de kunstwereld wordt gekeken naar een schilderij van bijvoorbeeld Vermeer. Daarbij draait het ook niet alleen om de financiële waarde, maar ook om het materiaal waaruit het is vervaardigd, de gebruikte verftechnieken, de voorstelling van de afbeelding en wat het doet met het publiek dat ernaar kijkt. Een hele mooie brede blik, een prima voorbeeld voor een erfgoedanalyse en waardestelling waarin de vele verschillende facetten van een monument  worden samengebracht.”

Meer informatie







© 2017 TU Delft

Metamenu